1966
1945
Stichts en Gelders Veenendaal worden één
1960
Door de jaren heen is er vaak sprake van geweest om van Gelders en Stichts Veenendaal één gemeente te maken. Het was dan ook een vreemde situatie, een provinciegrens die dwars door zo’n klein dorp liep. Deze stand van zaken was al lang geleden ontstaan. In 1795 werd Veenendaal, dat toen tot de gemeente Rhenen behoorde, een zelfstandige gemeente. Een gedeelte van Veenendaal was in die jaren al op Edes grondgebied gebouwd. Deze scheiding tussen Stichts en Gelders Veenendaal wijzigde voor een korte periode in de Franse tijd. Bij decreet van de koning van Holland van 29 april 1807 werden beide gemeenten samengevoegd, maar nadat de Fransen in 1813 vertrokken uit Nederland, werden de oude provinciegrenzen weer hersteld.
Veenendaal protesteerde toen al tegen deze merkwaardige provinciescheiding en deed sindsdien herhaalde pogingen om een eind te maken aan deze rare situatie. De Nederlandse Staatscourant van 19 november 1824 publiceerde een oproep van Jonkheer Van Asch van Wijck om Veenendaal tot één gemeente om te vormen. Hij signaleerde dat wat betreft waterschap, kerkelijk bestuur, opvoeding en polderzaken Veenendaal al één gemeente vormde, maar dat het verzetten van grenspalen voor de desbetreffende gemeentes klaarblijkelijk het afstaan van macht betekende. Hij wees ook nog op het ongerief voor justitie, omdat een gedeelte van de rechtspraak in Arnhem en een gedeelte in Amersfoort plaatsvond en hij stipte het verschil in belastingen aan. Veenendaal bleef echter gescheiden. In de loop van de jaren werden verschillende pogingen gedaan de beide Veenendalen te verenigen, onder andere in 1902 en 1911, maar het leidde tot niets. In 1924 verscheen een rapport van Gedeputeerde Staten, maar nu bleek dat de 500 inwoners van Gelders Veenendaal tegen waren. Hoewel velen in de fabrieken in Stichts werkten, de belastingen van Ede hoger waren en zij bovendien nog forensenbelasting moesten betalen, wilden zij niet geannexeerd worden. “Ze waren in Ede geboren en wensten in Ede te sterven”. Na de oorlog begon het interprovinciaal overleg opnieuw ondanks het grote spandoek dat in 1949 in het Gelderland werd opgehangen. In grote letters stond er: “’t Veen zit wel aan ons te plukken, maar ’t annexeren wil niet lukken”. In 1956 kwam de interprovinciale commissie met een nieuw plan, maar zowel Veenendaal als Ede waren niet positief over het voorstel.
Een vreemde situatie betrof het Polderhuis dat op de hoek van de Hoogstraat en het Achterstraatje stond. Aan de voorzijde grensde het gebouw aan de Hoogstraat en aan de achterzijde aan het Achterstraatje. Daar de grens dwars door het pand liep, kon het dus zomaar gebeuren dat de bewoners met hun hoofd in Gelderland sliepen en met hun benen in Utrecht. Maar ook de Scheepjeswol ondervond de nadelen. De wolfabriek zelf lag in Stichts, maar de na de oorlog gestichte cholesterol fabriek lag op Gelders. De directie had hemel en aarde moeten bewegen om gedaan te krijgen dat de elektriciteitsvoorziening voor de nieuwe fabriek uit het eigen transformatorgebouw, dat in Stichts lag, mocht komen. De Gelders Elektriciteitsmaatschappij stond op het standpunt dat de nieuwe fabriek op Gelders lag en dat de elektriciteit van Gelderland betrokken moest worden. Maar de bouw van een nieuw transformatorhuisje bracht grote investeringen met zich mee. Na veel besprekingen werd het probleem opgelost.
Plannen die concreet leken, werden toch steeds weer uitgesteld. Maar op 1 januari 1960 was de grenswijziging definitief een feit. Veenendaal kreeg er circa 5000 nieuwe inwoners bij. Daarvan kwamen er 4.300 uit Ede en 700 uit Rhenen en Renswoude die in veel mindere mate bij de grenswijziging waren betrokken. De eerste baby die in Veenendaal in 1960 werd geboren bleek een spruit van nieuwe inwoners te zijn. De kersverse ouders woonden op de Jan van Nassaulaan en toen de vader zijn zoontje ging aangeven, noemde hij de baby Albert, naar burgemeester Albert Bakker onder wiens burgemeesterschap de wijziging had plaats gevonden. De burgemeester ging bij de ouders op bezoek en overhandigde op persoonlijke titel een spaarbankboekje.
In zijn nieuwjaar speech memoreerde de burgemeester de lange weg die tot de grenswijziging had geleid, maar, zo zei de burgemeester: Wachten we ons voor hovaardij. Laat over onze lippen niet komen de woorden Groot-Veenendaal. We waren en zijn een dorp in de Gelderse Vallei, vanouds vlijtig en vroom. Geve de Almachtige God in 1960 zijn zegen over ons werk en moge zijn hoede heel Veenendaal beschutten”. Als burgemeester Bakker 60 jaar later een kijkje had kunnen nemen, had hij zijn ogen niet geloofd. Het vlijtige en vrome dorp van toen is veranderd in een bruisende stad met regiofunctie, waar zelfs de winkels op zondag open mogen zijn.